Wanneer is je kind klaar voor de basisschool?

Is je kind bijna vier jaar? Dan mag hij naar de basisschool. Dat is een grote stap in het leven van jou en je kind. In groep 1 en 2 van de basisschool wordt je kind voorbereid op het leren lezen, schrijven en rekenen in groep 3. Dit gebeurt op een speelse manier en is bedoeld om de overgang naar groep 3 minder groot te maken. De vraag is nu wat er van je kind verwacht wordt als hij voor het eerst naar de basisschool gaat. Wat moet hij al kennen en kunnen voordat hij naar school gaat en hoe bereid je hem daar zo goed mogelijk op voor?
Hieronder volgt een kort overzicht van de belangrijkste kennis en vaardigheden alsmede tips om thuis mee aan de slag te gaan.


Praten en luisteren
Kinderen die naar de basisschool gaan, moeten verstaanbaar kunnen praten. Daarom is het belangrijk dat een kind veel praat en veel oefent. Het betekent niet dat je kind bij de start op de basisschool alles al foutloos moet kunnen zeggen. Bepaalde klanken kunnen nog moeilijk zijn, zoals combinaties van klanken in woordjes als ‘grap’ en ‘straat’. De regel is dat je kind aan het begin van de basisschool ongeveer 75 procent van de klinkers en medeklinkers van de Nederlandse taal beheerst.
De verschillen tussen spraakklanken zijn soms heel klein, denk bijvoorbeeld aan de woorden ‘kam’ en ‘kan’. Je kind leert praten door goed naar deze verschillen te luisteren en ze na te doen. Goed kunnen luisteren is dus een belangrijke voorwaarde voor een goede spraak- en taalontwikkeling.
Op peuterspeelzalen en kinderdagverblijven wordt veel gedaan om de taalontwikkeling te stimuleren. Er wordt vaak voorgelezen en dagelijks worden er liedjes gezongen en gesprekjes gevoerd. Als ouder kun je dit thuis ook doen. Door veel met je kind te praten en aandachtig naar hem te luisteren, stimuleer je zijn taalontwikkeling. Praat over alledaagse dingen, bijvoorbeeld over wat je kind op televisie heeft gezien of wat je samen gaat kopen in de supermarkt. Praat duidelijk en niet te snel en maak niet te lange zinnen. Gebruik geen babytaal meer, maar benoem dingen bij de naam. Dus geen woorden als ‘toet-toet’ of zinnen als ‘Heb je au gedaan?’

Woordenschat
In groep 1 en 2 van de basisschool leert je kind aan de hand van thema’s spelenderwijs een heleboel nieuwe woorden. Het idee van het werken met thema’s is dat je kind hierdoor de wereld om zich heen beter leert begrijpen en benoemen. De thema’s hebben daarom altijd te maken met de directe leefomgeving van je kind, zoals ‘de winter’, ‘boodschappen doen’ of ‘ziek zijn’. Verder wordt een thema altijd geïntroduceerd met een activiteit of een voorwerp. Dit is om je kind nieuwsgierig en gretig te maken en te betrekken bij het onderwerp.
Een kind gebruikt gemiddeld 2000 woorden als hij naar de basisschool gaat. We noemen dit zijn actieve of productieve woordenschat. Een passieve woordenschat bestaat uit woorden die je kind nog niet gebruikt, maar al wel begrijpt. Aan het eind van groep 2 is de actieve woordenschat uitgebreid naar gemiddeld 3500 woorden.
Een grote woordenschat biedt veel voordelen als je kind naar de basisschool gaat. Het zorgt ervoor dat nieuwe kennis gemakkelijker wordt onthouden, omdat het gekoppeld kan worden aan al bestaande kennis. Bovendien kan je kind de leerkracht gemakkelijker volgen, goed in de kring meedoen en snel de betekenis leren van allerlei nieuwe woorden. Hoe meer woorden hij kent, hoe gemakkelijker hij weer nieuwe woorden leert.
Thuis kun je de woordenschat van je kind vergroten door bijvoorbeeld veel voor te lezen en door woorden aan te wijzen en dingen voor te doen. Voorbeeld: ‘Kijk Max, ik ben nu aan het vegen met een bezem’. Wijs daarbij op de bezem en laat hem er zelf ook even mee vegen.

Tellen tot 10, kleuren en vormen
Voordat je kind naar de basisschool  gaat, moet hij de getallen 1 tot en met 10 kunnen benoemen. Van peuters van twee tot en met drie wordt verwacht dat ze de telrij van 1 tot 5 kunnen opzeggen en van peuters van drie tot en met vier de telrij van 1 tot 10. Daarnaast moet je kind ook een aantal kleuren en vormen kunnen benoemen. Dat begint met de kleuren geel, rood, blauw en groen, daarna komen de kleuren zwart, wit, oranje, roze en paars en als laatste de kleuren grijs en bruin. Van de vormen moet je kind de driehoek, het vierkant en het rondje (of de cirkel) kunnen benoemen.
Het is overigens niet erg als je kind nog niet goed kan tellen en nog niet alle kleuren en vormen kan benoemen als hij naar de basisschool gaat. In groep 1 en 2 van de basisschool wordt hier ook nog veel aandacht aan besteed.
Thuis kun je met je kind de telrij oefenen door samen telliedjes te zingen, zoals het liedje: ‘Een, twee, drie, vier, hoedje van papier’. De kleuren kun je bijvoorbeeld oefenen met het spelletje: ’Ik zie, ik zie wat jij niet ziet en de kleur is …’.

Rekenbegrippen
Een grote woordenschat is niet alleen van belang voor de taalontwikkeling. Voor het rekenonderwijs op de basisschool is het ook handig als je peuter al veel van onderstaande begrippen kan hanteren:

  • meer, minder, meest en minst
  • veel, weinig en evenveel
  • klein, kleiner, kleinst – groot, groter, grootst
  • laag, lager, laagst – hoog, hoger, hoogst
  • kort, korter, kortst – lang, langer, langst
  • voor, achter, naast, in, op, boven, onder, dichtbij en ver.

Deze begrippen kan je kind al spelend oefenen, door bijvoorbeeld te bouwen met blokken of lego of het rijgen van kralenkettingen.

Zelfredzaamheid
Hier volgt een kort overzicht van de vaardigheden die je peuter zou moeten kunnen beheersen als hij bijna vier is:

  • zich korte tijd concentreren op een taak (ongeveer 10 minuten)
  • om hulp durven vragen
  • in de rij staan
  • rustig zitten (aan zijn tafel, op zijn stoel en in de kring)
  • speelgoed en werkjes helpen opruimen
  • zelfstandig eten en drinken (zelf pakken, openmaken en opruimen)
  • zelf naar de wc gaan (zelf zijn billen vegen)
  • zich zelfstandig aan- en uitkleden (jas, schoenen en broek)
  • zelfstandig zijn jas op de kapstok hangen / in een luizenzak doen.

Maakt je geen zorgen wanneer je kind nog niet alles kan wat hier boven beschreven staat. Ieder kind ontwikkelt zich in zijn eigen tempo en dat is prima. Bovendien is er ook in groep 1 en 2 van de basisschool nog voldoende tijd om al deze vaardigheden te oefenen.

Tips voor de eerste schooldag
Of je kind met plezier naar zijn eerste schooldag uitkijkt, heb je voor een deel zelf in de hand. Bereid je kind voor op wat komen gaat en wees daarbij positief. Hoe meer je laat merken dat het leuk is om naar school te gaan, hoe gemakkelijker het voor je kind is.
Start niet te vroeg met het praten over school. Peuters hebben nog geen tijdsbesef en kunnen nauwelijks bevatten wanneer het gaat beginnen. Het is dan lastig uit te leggen dat ze nog even moeten wachten.
Heeft je kind al een idee over hoe het er op een basisschool aan toe gaat? Vraag hem eens wat hij daar denkt te gaan doen en leg uit wat er anders zal zijn dan op een kinderdagverblijf of peuterspeelzaal. Vraag het nog eens na een paar keer wennen op school. Wat vindt hij leuk en waar is hij minder enthousiast over?
Wil je meer weten over wat er op de basisschool wordt geleerd en waarom? De serie Snap je kind! geeft ouders informatieover het aanbod van taal en rekenen in groep 1 t/m 8.
Naast deze serie is er ook het boekje Snap je peuter!Dit boekje geeft ouders informatie over de taal- en rekenontwikkeling en de sociale en motorische ontwikkeling van peuters. Er staan ook tips in om die ontwikkeling op een speelse manier te stimuleren.

Wil je een totaalpakket of een abonnement voor een bepaald leerjaar van de serie: ga naar de webshop voor ouders